Je bent hier: Home > Columns > Column 27 - Slecht nieuws gekregen

Column 27 - Slecht nieuws gekregen

Ik belde m’n vader terug na z’n app’je. “Arthur, oma is ernstig ziek. Ze heeft kanker.” De stilte die erna volgde sprak boekdelen.

Datum: 3 mei 2017
Leestijd: +/- 7 minuten

Daten | Homodating | Date | Grindr | Seksdate | Ontbijten doen we thuis | Arthur van Moerwijk

Okee, dit voelt als game over. En ik ben zo debiel geweest om Sem niet te vragen welke soa hij heeft. In plaats daarvan hing ik op met ‘lul!’. Ik kijk in m’n pakje sigaretten en zie dat het inmiddels leeg is. Bedankt Dave. In de asbak ga ik op zoek naar net niet opgerookte sigaretten en vind ik nog een stompje. Ik neem een hijs en druk hem gelijk weer uit. Gadverdamme. Dan gaat m’n telefoon. Dat zal Sem wel weer zijn. Geen zin. Ik laat m'n telefoon op m’n bureau liggen en ga TV kijken. Een enorme inkakker komt opzetten en ik val op de bank in slaap. Ik begin enorm te dromen. Sem komt in paniek bij me langs om me slecht nieuws te vertellen. Ik bekijk z’n gezicht en zie dat hij plekken op z’n wangen en voorhoofd heeft. Heel vieze, schurftachtige plekken. Hij krabt er steeds aan. Het is wat donker in de keuken, zo ’s avonds laat, maar als ik beter kijk zie ik dat hij overal van dat soort plekken heeft. Op z’n armen, in z’n hals en zelfs z’n vingers zijn helemaal open. Wanneer ik een paar stappen achteruit doe - uit angst dat het besmettelijk is - blijkt het al te laat. Ik begin jeuk te krijgen en zie de plekken op m’n armen groeien.
     “Sem! Wat doe je!” roep ik. Sem kijkt me verontschuldigend aan.
     “Ik kan er niks aan doen! Ik kan er niks aan doen!” herhaalt hij. Het klinkt als een echo in m’n hoofd. Ik ren naar m’n kamer en zie dat de plekken zich inmiddels over m’n hele lijf hebben verspreid. Wat moet ik doen? In paniek bel ik de huisartsenpost en wanneer er opgenomen wordt door een zwaar doorgerookte stem word ik wakker terwijl ik krab aan kleine Arthur. Mijn god.

Ik lig bij te komen van die bizarre droom tot ik m’n telefoon hoor trillen op m’n bureau. Nog lichtelijk versuft sjok ik naar m’n bureau en kijk op m’n telefoon. Drie oproepen gemist. Van m’n vader. En er komt net een app’je binnen.

Pa - 15:03 uur
“Arthur, bel mij even.”

Oh god, er is wat aan de hand? Is er wat met ma? Oh nee toch. Ik bel gelijk terug.
     “Hallo?” Het blijft stil. “Hallo? Pap, kun je me horen?”
     “Ja jongen, de verbinding is erg slecht hier.” 
     “Okee. Je had ge-app’t dat ik terug moest bellen. Wat is er aan de hand?” Ondertussen krab ik en probeer me te focussen op het telefoongesprek. 
     “Je *kggrrk* ziekenhuis. Het gaat *kggrrk* dus kom naar huis”, klinkt er.
     “Wat? Je valt weg pap, wat zei je?”
     “Je oma ligt in het ziekenhuis.” Even denk ik dat de verbinding is weggevallen. 
     “Pap? Ben je er nog?”
     “Ja. Verstond je me? Je oma ligt in het ziekenhuis. Het gaat slecht met haar dus kom naar huis.”
     “Hoezo slecht? Wat is er dan?” Ik denk aan m’n oma. Ik heb haar schandalig lang niet gezien. Toen ik nog thuis woonde kwam ik er bijna elk weekend maar nu is dat al zeker twee maanden geleden.
     “Er is kanker geconstateerd.” M’n oren suizen. Kanker? Bij mijn oma?
     “Wat?! Waar dan?” vraag ik stotterend.
     “In haar longen, lever, milt en darmen. Het is niet goed jongen. Je kunt beter naar huis komen.” M’n wereld staat stil en ik weet niets te zeggen. Ik hoor een auto voorbij razen en beneden slaat een deur dicht. M’n oma is de moeder van m’n vader. M’n opa is lang geleden al overleden. De ouders van m’n moeder heb ik nooit gekend.
     “Ik kom eraan. Ik zie je zo!” roep ik door de telefoon en ik hang op. Ik sprint naar beneden, stap op m’n fiets en ga als een speer naar het station.

Ziekenhuis
M’n vader stopt de auto op de enorme parkeerplaats van het ziekenhuis. Ik ben in tweestrijd. M’n oma ligt daar in het ziekenhuis met kanker en veel uitzaaiingen en ik heb zin in een sigaret. Maar m’n sigaretten zijn op. M’n vader stapt uit en bevindt zich duidelijk niet in tweestrijd.
     “Mag ik er ook een?” vraag ik. M’n vader kijkt even op en reikt me dan het pakje aan.
     “Stoppen jongen, nu het nog kan.” Ik knik, steek de sigaret aan en loop met m’n vader mee naar de ingang. Daar roken we hem op en gaan naar binnen. In de lift is het ongemakkelijk. Ik ga kapot van de jeuk en m’n vader is stil. Ik krab zo onopvallend mogelijk en kijk op m’n telefoon.

Sem - 17:11 uur
“Sorry Arthur. Ik snap 
dat je boos bent. 
Laat je voor de 
zekerheid wel 
even checken.”

Ik weet niet wat het is, maar ik heb echt een hekel aan ziekenhuizen. Ik moet altijd denken aan de meest enge operaties en behandelingen waarvan ik hoop dat ik ze nooit hoef te ondergaan. De enorm lange gangen lijken wel een doolhof en dat blauwige linoleum doet m’n humeur niet bepaald goed.
     “Hier links”, zegt m’n vader.

Ik - 17:32 uur
“Dat was ik al 
van plan. Wat 
heb je dan?”

     “Deze kamer.” Ik volg m’n vader een ruimte binnen waar ruimte is voor maar één bed. Het bed is leeg. M’n vader kijkt me paniekerig in de ogen.
     “Waar is ze? En waar is mam?” vraag ik.
     “Ik kijk wel even”, zegt m’n vader kalm. Hij probeert zich groot te houden maar aan z’n looptempo zie ik dat hij zich ongerust maakt. Ik zie mijn kans schoon om mezelf voor een korte tijd van de jeuk af te helpen en kijk ondertussen naar buiten. M’n oma’s kamer bevindt zich op de vijfde etage. Het parkeerterrein is van bovenaf echt lelijk. 
     “Dag jongen”, hoor ik achter me. Ik schrik ervan en haal gauw m’n hand weg. 
     “Hoi oma, waar was je?” M’n oma komt met een verpleegster terug.
     “Naar de WC. Je moeder is even naar beneden.” Ze gaat met een kreun op bed zitten. “Je bent afgevallen jongen, eet je wel goed?” Ze bekijkt me en houdt me bij m’n kin vast. Ik zie nu pas hoe enorm mager m’n oma is en hoeveel ouder ze in korte tijd is geworden. 
     “Jawel.” Het valt stil. Ik weet niet wat ik moet zeggen. Wat zeg je tegen een vrouw die helemaal onder de kanker zit? 
     “Hoe gaat het op school?” vraagt ze dan uiteindelijk. Ik vertel haar dat het goed gaat maar eigenlijk vind ik het ongepast om over m’n school te praten. Dan komt m’n moeder binnen. Met m’n vader. 
     “Hoi Arthur.” M’n moeder geeft me een zoen en omhelst me kort. Ze gaat wat naar achteren en kijkt me in m’n ogen. “Het gaat niet goed met oma.”
     “Dat vermoede ik al”, zeg ik droog. Waarom ben ik anders hier?

We zitten een klein halfuur bij m’n oma en tot het bezoekuur voorbij is. Bizar eigenlijk, dat je je moet houden aan bezoektijden om iemand te zien die gaat overlijden. Ze krijgt geen behandeling meer en kan dus niet meer geholpen worden. Het is een kwestie van weken, hooguit maanden. Ik denk terug aan m’n opa. Hij was zo ziek op het laatst. Althans, dat heb ik van m’n moeder gehoord. Ik was nog zo jong dat ik alleen nog weet dat hij op het laatst een zuurstoffles had. Daarna heb ik hem nooit meer gezien.
     “Fijn dat je nog even kon komen, Arthur.” Ik loop naar m’n oma toe en omhels haar. Ik voel dat ik moet huilen maar houd me groot. Ik wil niet huilen. Ik wil niet dat m’n oma verdrietig wordt omdat ik huil.
     "Vind ik ook, oma."
     “Doe je best op school”, zegt ze. Ik zie hoe ze er een glimlach uit probeert te persen en ze steekt haar duim op. Ik kijk gauw weg. Een traan valt op de grond en ik loop naar m’n moeder die al bij de deur staat. Ze slaat haar arm om me heen. 
     “Als je een tijdje thuis wilt blijven dan is dat goed, Arthur.” Ik kijk naar m’n moeder. Hoezo thuis wil blijven? 
     “Het kan nog weken duren zei oma.” 
     “Ja, dat zei oma.” Ik begin hard te huilen. Inmiddels komt m’n vader aangelopen. 

We zitten in de auto en het is stil. Ik hoor dat de radio zachtjes aanstaat maar kan niet verstaan welk nummer er op is. M’n oma. Mijn oma. Ze gaat dood. Ik ben er de laatste tijd veel te weinig geweest. Ik kan mezelf wel voor m’n kop slaan. M’n moeder vertelde dat oma morfine krijgt en dat niet duidelijk is hoe lang ze er nog zal zijn. Het kan zijn dat haar lichaam zo zwak is dat ze zo ineens inslaapt. Maar ik hoop dat dat nog erg lang zal duren.

M’n vader zet de auto stil voor het huis, m’n moeder stapt uit en ik blijf zitten. We roken samen een sigaret in de garage en praten over oma.
     “Trek je het wel jongen?”
     “Jawel.” Ik voel weer die brok in m’n keel. Ken je dat gevoel? Dat je wilt dat óf iets allang voorbij is, óf dat je er qua tijd nog ver voor bent. Dit voelt echt als wachten op het onontkoombare. 
     “Als je een tijdje thuis wilt blijven dan is dat goed hoor.” 
     “Dat zei mam ook al.” Weer die klotejeuk. Dagcrème helpt dus ook voor geen reet. Ik krab maar het is net of het weer erger wordt dan het was. Ik moet echt een afspraak maken voor het er net zo uit gaat zien als die foto’s op Google Afbeeldingen.
     “Jij hebt wat opgelopen.” M’n hart maakt een sprong. Ik kijk op en zie dat m’n vader me recht aankijkt. Het as van z’n sigaret is lang en gaat er elk moment afvallen.
     “Huh? Wat bedoel je?”
     “Je hebt een soa opgelopen.”
     “Nou zeg, hoe kom je daar nou bij?” zeg ik overdreven verbaasd.
     “Wil je zeggen dat je geen jeuk hebt? Je hebt niets anders gedaan dan krabben.” M’n vader moet lachen. “Ik heb je toch die condooms gegeven?” 
     “Pap …”

Vervolg: Column 28 - Coffeeshop

Zaterdag 6 mei 2017

Of ik mee wilde naar de coffeeshop. Ach, waarom ook niet. Nou, zo stoned als een garnáál.

  Like en blijf op de hoogte!