Je bent hier: Home > Columns > Column 67 - De deal

Column 67 - De deal

“Gelijk oversteken!” brulde ik stoerder dan ik ben. Hij begon te lachen. Ik zie Sem nergens!

Datum: 21 oktober 2017

Leestijd: +/- 9 minuten

Daten | Homodating | Date | Grindr | Seksdate | Ontbijten doen we thuis | Arthur van Moerwijk

In een film van Netflix gaat een ontvoering enzo veel mooier. Er begint op het juiste moment een spannend deuntje, je hoeft nooit lang te wachten tot er wat gebeurt en je krijgt ook de gedachten mee van bijvoorbeeld agenten of misschien zelfs daders. Nou nu niet. Ik wacht en kan je vertellen dat dat fucking lang duurt. Vanavond om twaalf uur moet hij dat geld hebben. Ik word op tijd opgehaald door de agent van gisteren en dan rijden we naar de afgesproken plek toe. Ik krijg een zendertje in m’n kleren en agenten zijn nu al bezig om op bepaalde plekken de mogelijkheid te creëren om op de uitkijk te kunnen staan.

Ik draai het filter van m’n inmiddels gedoofde sigaret tussen m’n duim en wijsvinger en staar naar het behang. Vanmiddag zag ik wat grappigs tijdens het scrollen op m’n tijdlijn. Ik las het woord ‘plafonddienst’. Ik kende het niet en dacht dat het iets te maken had met beveiligers of zo. Maar ze bedoelen er dus mee dat je tijdens het stappen teveel gesnoven hebt waardoor je niet kunt slapen. Je staart letterlijk naar het plafond en dus heb je plafonddienst. Ik vind hem leuk. 

Hoe zal ik Sem aantreffen vanavond? Ga ik hem überhaupt wel aantreffen of zal dit een zieke truc zijn om aan geld te komen? 
     “Arthur, Van Drenen hier. Ik bel je om te vragen of je het nog steeds ziet zitten.” 
     “Ja hoor”, antwoord ik koeltjes. Ik schijt bagger.
     “Goed. Ik zie je om elf uur op de afgesproken plek.” We hebben afgesproken dat hij me ophaalt vanaf de hoek van de straat. Dat is om te voorkomen dat iets of iemand vanuit het huis van de overkant kan zien dat een agent mij op komt halen. 
     “Tot dan.” 

Er zitten nog vier biertjes in het aangebroken sixpack. Ik doe het niet. Ik kan niet half kachel aankomen bij het redden van Sem. Maar geloof me, die vier gaan er rap doorheen zodra ik thuis ben.

Die avond
     “Arthur, stap gauw in.” De agent in burger pikt me op met een zwarte Volkswagen. Ik kijk angstig om me heen. De slecht verlichte straat geeft me een onheilspellend gevoel. Gadverdamme. 
     “Hoi. Geen Drenen of hoe heet-ie?”
     “Van Drenen. Nee, hij is al op locatie”, vertelt de jonge agent me. Het is volgens mij een knappe agent, maar ook dat kan ik slecht zien. Niet belangrijk nu.

We rijden naar industrieterrein Eemspoort. Rondom het enorme parkeerterrein van de Macro zijn agenten geïnstalleerd in geparkeerde auto’s aan de overkant van de straat. En bij wat bomen staan ze verdekt opgesteld met verrekijkers, portofoons en hun wapen in de aanslag. Ik moet eerlijk zijn dat ik het allemaal maar amateuristisch vind. De ontvoerder heeft zoveel kans om mij iets aan te doen dat ik er een erg unheimlich gevoel van krijg als ik er te lang aan denk. 

Het is kwart voor twaalf en ik ben op van de zenuwen. Dave zit achterin de auto en ik voorin.
     “We rijden een stuk de straat uit en om iets voor twaalf ga je lopend naar dat parkeerterrein. Dan wachten we het af.” De agent geeft me een complete briefing. Ik vind er geen hol aan. Hij zet de auto zo onopvallend mogelijk langs de weg en stopt de motor. Dan is het stil. Doodstil. Ik hoor het gekraak van de jas van de agent en soms schrik ik me kapot van het gekraak van de porto. 
     “Nog niks kggk”, tussen een boel gekraak krijgen we de update van een van de verstopte agenten. Het duurt lang. Fu-cking lang. Ik kijk naar het digitale klokje in het dashboard. 23:51 uur. Nog negen minuten. 
     “Om drie voor twaalf ga je lopen. Je neemt de tas mee. Geen onverwachtse bewegingen of rare acties. Dat kan de dader afschrikken en hem doen kiezen om weg te gaan. Begrepen?” Begrepen? Hij praat tegen me alsof ik een leerling van hem ben. Sodemieter op.
     “Ai ai, kapitein!” brul ik en ik sla m’n hand tegen m’n voorhoofd alsof ik een soldaat ben. De agent kijkt me vragend aan. “Sorry. Zenuwen”, zeg ik onhandig lachend.
     Succes gast!” zegt Dave. Ik word onderhand trouwens echt strontziek van dat ge-gast van hem. Heb jij dat ook?

De minuten kruipen voorbij. 23:53 uur. 23:54 uur. 23:55 uur. De laatste minuut zorgt ervoor dat m’n bloeddruk een pr bereikt. 
     “Nu!” zegt de agent, alsof ik mag starten aan de 10 kilometer hardloopwedstrijd. Ik spring de auto uit en klap de deur dicht. Zenuwen. Paniek. Kut, ik moet er heen. Het is donker en koud. Ik zie niemand. Waar moet ik ook alweer heen? Ik loop weg en weer terug, weg en weer terug. Twee stappen vooruit en toch weer naar de auto. Ik moet pissen.
     “Ik durf niet!” zeg ik met m’n gezicht tegen het glas van de passagierskant.
     “Ga. Nu. En vergeet die tas niet.” Dave doet de deur open en geeft me de tas aan. Hij voelt zwaar. Zou een miljoen euro zoveel wegen? Zou een miljoen euro überhaupt in zo’n weekendtas passen? Het zal wel. Daar hebben die agenten vast over nagedacht. Ik loop de kant van de parkeerplaats op en kijk vlak voor ik de bocht omga naar de geparkeerde auto waar ik net nog in zat. Ik loop en ik loop en de stilte wordt steeds enger. Ik schat dat ik nog zeker veertig stappen moet doen voor ik op de aangewezen plek ben. Ik loop en loop en voel hoe de tas met de nep-miljoen steeds zwaarder wordt. 
     “Kggk!” hoor ik opeens. 
     “Godverdomme!” brul ik uit een reflex.
     “Niet zo hard! Ik ben er niet!” brult een agent achter een boom. Jezus, je zou je een verzakking schrikken. Wat een amateurisme trouwens. Achter een boom voelt van hetzelfde niveau als je onder het bed verstoppen. Maar goed, geen tijd voor principes en discussie nu. Focus.

Ik ben op de afgesproken plek, bij de lantaarnpaal. Ik kijk op m’n iPhone en zie dat het een minuut voor twaalf is. Ik zie nog niks gebeuren. Het is hier uitgestorven. M’n hart gaat tekeer. Ik kijk nogmaals op m’n iPhone en zie dan tot m’n schrik dat het 00:00 uur is. Oh kak. Het gaat gebeuren. Maar ik zie niks. Waar blijft hij nou? Ik sta en ik sta, ik houd de tas met de miljoen nog in m’n handen want ik durf hem niet op de grond te zetten. Ik wil Sem terug en het moet allemaal goed gaan. Geen tijd voor domme acties. Hoe zou ik Sem aantreffen eigenlijk? Zal hij nog erg gewond zijn? Wat is er met hem gebeurd? Een rilling gaat over m’n rug. Ik wil het nog niet weten. 00:03 uur. Nog geen reet gebeurd. Dit is vast een grap.

Om 00:08 uur gaat m’n telefoon.
     “We wachten nog vijf minuten. Dan blazen we af.” Er is opgehangen voor ik kan reageren. Maar ik kán ook niet reageren want het gaat gebeuren. Er komt een auto met een rotgang aan gescheurd. Het is dezelfde auto als die mij laatst plat wilde rijden. Het busje stopt vlak voor me. Oh ik krijg een wegtrekker. Dit trek ik niet. Ik voel dat het handvat van de weekendtas bijna uit m’n hand glipt. Niet doen. vasthouden!
     “Zo zo zo …” zegt de man. Het is precies dezelfde man die ook in het huis tegenover ons was en die me aan probeerde te rijden. “Je bent gekomen …” De man praat weer zo overdreven rustig. Ik vind hem vies. En eng. 
     “Waar is Sem?” vraag ik, sterker dan ik me voel.
     “Is dat de miljoen?” 
     “Ja. Sem?” vraag ik.
     “Eerst het geld.” 
     “Gelijk oversteken!” brul ik. Ik moet sterker overkomen dan ik me voel want de man blijft stil. Best lang ook, dus ik vraag het nogmaals: “Waar is Sem?” 
     “Goed. Je hebt je best gedaan. Je bent stoer genoeg geweest,” zegt de man kleinerend. Ik voel me letterlijk ineen krimpen en kleiner worden. “Zet die tas op de grond en draai je om”, zegt hij.
     “We hebben een deal. Ik Sem, jij je geld. Niet anders.” Ik hoor hoe de man een geweer doorlaadt. Ik kijk naar wat hij in zijn hand heeft en zie aan het geglinster dat het foute boel is. 
     “Draai je om.” Ik durf niet. Ik ben bang dat als ik me omdraai hij me in m’n donder zal schieten en ik hier doodbloed.
     “Ik wil Se …”
     “DRAAI JE OM!” De man schiet in de lucht. Okee, ik ben verloren. Ik gooi de tas voor me uit zodat hij vlak voor de man belandt. “Goed zo”, vult hij aan. Ik draai me om. “En je handen achter je hoofd.” Ik doe wat hij zegt. 
     “Waar is Sem?” fluister ik. “Waar is Sem?” Ik begin te huilen. Ik ben er geweest, ik voel het. Dit gaat fout. Ken je het gevoel dat iemand je in je zij wil prikken? Je voelt je spieren alvast samentrekken omdat je weet dat dat kutgevoel ieder moment komt. Dat heb ik nu ook, maar dan met dat schot in m’n donder. 
     “Op je knieën!” Nee! Nee! Nee! Ik hoor hoe de man naar me toe komt lopen. Waar blijven die agenten om me te redden en deze man te arresteren? Waar blijven ze! “NU!” brult de man. Ik schrik en zak als vanzelf door m’n knieën. Ik kijk uit over de grote parkeerplaats en probeer mezelf rustig te krijgen. 
     “En nu?” vraag ik in doodsangst.
     “Dit!” De man schiet nogmaals. Ik schrik keihard van die knal. Op wie schoot hij? Ik ben niet gewond. Op wie schoot hij! Dan hoor ik de auto keihard wegscheuren. Maar ik durf niet om te kijken. Is het zijn auto wel of is het een agent die eraan komt? 

Het geluid van de auto verdwijnt langzaam. Ik durf eigenlijk nog steeds niet om te kijken en begin zachtjes in mezelf te praten: “Het is zo voorbij. Het is zo voorbij. Het komt allemaal goed. Het komt allemaal goed.” Ik blijf dit herhalen, maar het helpt niet. Dan hoor ik gekreun achter me. Of meer een soort paniekerig neuriën. Ik draai m’n hoofd in een reflex om en kijk recht in de ogen van Sem. Sem! Fuck Sem! Ik ga gauw staan en ren naar hem toe. Hij zit op een stoel en is op dezelfde manier vastgebonden als toen ik hem in dat huis zag zitten. 
     “Oh Sem! Oh Sem! Ik ben zo blij dat ik je zie!” Ik begin keihard te huilen. Sem ook. Hij kan moeilijk ademen door de stoffen lap in zijn mond en de tape daar overheen. Ik trek het gauw van zijn mond af. Het gaat allemaal snel. Van alle kanten komen auto’s aan gescheurd. Politieauto’s, ambulances, personenauto’s. 
     “Arthur …” meer zegt Sem niet. Hij klikt verzwakt en huilt. “Arthur …” Sem raakt buiten bewustzijn. 
     “Help hem!” brul ik. “Help hem dan!” 

Het gaat allemaal te snel om te verwerken. Sem zit in de ambulance en is weer bij. Ik zit op de stoel naast de brancard en kijk naar wat ze met Sem doen maar ik neem het allemaal niet meer op.
     “Waarom grepen jullie niet in?” Roep ik versuft tegen de agent.
     “Dat deden we”, zegt hij. 
     “Waarom lieten jullie me daar alleen staan?”
     “Het is voorbij, Arthur. Op alle wegen vanaf en naar deze parkeerplaats stond de politie op scherp. Het was onmogelijk voor hem om te ontkomen. Het is voorbij Arthur. Tot gauw.” De agent gooit met een klap de deuren van de ambulance dicht en we rijden weg.



Vervolg: Column 68 - Tijd heelt alle wonden

Online: 25 oktober 2017

Opgelucht haal ik adem. Het is voorbij. Het is echt voorbij!

  Like en blijf op de hoogte!