Je bent hier: Home > Columns > Column 30 - Geen idee waar ik was

Column 30 - Geen idee waar ik was

Ik opende m'n ogen, keek om me heen en voelde paniek opkomen. Waar de hel ben ik?

Datum: 13 mei 2017

Leestijd: +/- 8 minuten

Daten | Homodating | Date | Grindr | Seksdate | Ontbijten doen we thuis | Arthur van Moerwijk

Ik word wakker van een vreemd geluid. Maar sliep ik eigenlijk wel? M’n kop bonst. Dat behoeft niet veel woorden want je kent me intussen goed genoeg om te weten wat de oorzaak is. Drank. Exact. Het is me allemaal wat vaag. Ik droomde dat ik droomde, vervolgens wakker werd en weer in slaap viel. Ik drink echt teveel, dat staat als een paal boven water. Wat overigens óók als een paal boven water staat is het silhouet van een persoon naast me. Het produceert vreemde geluiden die technisch gezien door zouden kunnen voor snurken. Zelf zou ik het willen omschrijven als een doodsgorgel. Hoewel m’n kamer donkerder is dan normaal, kan ik aan een bepaald deel van het silhouet zien dat dit een mannelijk persoon betreft. Een klein kiertje bij het gordijn geeft net genoeg licht om de contouren van m’n kamer te zien. Vreemd, normaal word ik juist gek van het licht in de vroege ochtend. Op zich bevalt het me, maar ik heb een vreemd voorgevoel. Er klopt hier iets niet en ik zou bij god niet weten wie de mannelijke persoon in kwestie is. Ik wil m’n telefoon pakken maar door m’n dufheid maai ik een lamp van het nachtkastje. Wat ook nogal vreemd is, want ik heb helemaal niet zo’n lamp, laat staan zo’n nachtkast. Ik reik uit om de lamp van de vloer te pakken en ontdek daar een zwart vloerkleed. Hoogpolig. Hè, wat? Fack! Dit is helemaal niet mijn kamer!

Ik ga rechtop zitten, doe de lamp aan en wrijf in m’n ogen als poging een iets scherper beeld te krijgen. Het helpt geen reet. Ik aanschouw hoe het geluid-producerende figuur doorslaapt, ondanks mijn gestuntel. Het is kwart over zeven. En ik heb geen idee hoe laat ik uit de kroeg kwam na het huisfeestje. De herinnering van het pakketje cocaïne zit me nog vers in het geheugen. ‘Kabouterpost’ aldus het duistere meisje. Ik bekijk de jongen, of eigenlijk is het al een man, die naast me ligt. Een wat mollig type met zeer hoog voorhoofd ligt op z’n rug met één hand op z’n veel te dikke buik, de ander ligt vlak bij mij. Ik moet hier weg! Ik heb geen idee hoe ik hier gekomen ben. En belangrijker nog: wat hebben we in godsnaam gedaan? M’n lichaam reageert trager dan ik zou willen en zodra ik opsta om op zoek te gaan naar m’n boxershort explodeert m’n kop zowat. Het mysterieuze figuur pit rustig door. Wie is die vent? De chaos van kleren lijkt verdomd veel op een zaterdagmiddag bij de Primark. Werkelijk overal ligt wat. Ik heb inmiddels m’n broek, shirt en schoenen teruggevonden, en ik pak een van m’n sokken van het bijtafeltje in de hoek. Maar nog steeds is m’n boxer nergens te vinden. De dikkige kalende man haalt hard z’n neus op. Ik sta aan de grond genageld. Hij wordt toch niet wakker? Daar sta ik dan, in m’n blote reet. In de kamer van een wildvreemde vent, op zoek naar m’n boxershort. De man draait zich op z’n zij en slaapt door. Hij trekt het dekbed over zich heen en ik zie dat mijn boxershort daar ligt. Onder zijn been. Oh god. Ik sluip op m’n tenen op m’n doel af en sta met bonzend hart (en hoofd) bij de man. Ik trek voorzichtig aan m’n boxershort maar het enorm behaarde been is te zwaar. Ik moet weg hier. Sneller dan ik kan. Dan maar geen boxer. Ik schiet in m’n broek, doe m’n shirt aan, één sok (die andere mag-ie houden) en ik pak m’n schoenen onder het bureau vandaan. Daar staat een prullenmand en ik zie er een condoom in liggen. Hij is duidelijk gebruikt. Kijk, ik leer het wel. Snel m’n schoenen aan, m’n jas van de kapstok (dat fatsoen had ik blijkbaar nog) en wegwezen hier! Op het moment dat ik de deur wil openen zie ik zo’n apparaatje waar je een hotelpasje in moet steken om de lampen aan te kunnen doen. Dit is helemaal geen huis. Dit is een hotel! Oh god, toch wel in Groningen? Ik open de deur maar een kettinkje zorgt ervoor dat die met een klap dichtvalt. Een hels kabaal klinkt in de ruimte en ik ben als de dood dat het dikke, kalende silhouet wakker wordt. 

Ik sta in een enorm lange gang. Twee rijen met donkerrode deuren vliegen aan me voorbij. Ik ren naar een trap of lift, of wat er ook maar voor kan zorgen dat ik dit gebouw uitkom. De lift duurt te lang dus ik neem de trap. Slecht idee. M’n klokkenspel - zo zonder boxershort - rammelt er flink op los en voor m’n gevoel hangt m’n zaakje na elke traptrede steeds een stukje lager. Ik blijk op vijf hoog te zijn, dus ik kan nog wel effe. Ik sjees de trappen af en met de angst inmiddels een zak te hebben waar je u tegen zegt kom ik aan bij de receptie.
     “Kan ik u misschien ergens mee helpen?” vraagt de man achter de balie. Hij bekijkt me argwanend. Ik vraag me af hoe ik er op dit moment uitzie. Vast verrot. Daar heb ik helemaal geen tijd voor gehad.
     “Taxi”, zeg ik buiten adem. Man, ik moet echt stoppen met roken. De man gaat rechtop zitten en kijkt me ernstig aan.
     “Dat was een goed feest vannacht.” Hij doet z’n leesbril af. Wat bedoelt hij?
     “Ja”, zeg ik glimlachend (ongemeend). “Maar kunt u een taxi voor me bellen?”
     “Ik heb diverse klachten gekregen van hotelgasten.”
     “Nou dat komt mooi uit, want ik ga weg. Kunt u een taxi voor me bellen?” De man is even stil. M’n geduld raakt op. “Hallo!” roep ik.
     “Kijk eens. Red uzelf en telefoneert u alstublieft buiten”, zegt de man op oneerbiedige toon met een blik alsof ik een zwerver ben die om kleingeld vraagt. Hij geeft me een visitekaartje van een taxibedrijf in Groningen. Thank god. Ik ben gewoon in Groningen. Met het gevoel de loterij gewonnen te hebben loop ik glimlachend met het kaartje naar buiten.
     “Tot ziens en bedankt”, zeg ik vriendelijk.
     “Niet tot ziens”, zegt de man koel. Ik loop terug en kijk hem aan.
     “Kunt u me vertellen wat voor klachten u hebt gehad?” vraag ik hem.
     “Maar meneer, hoe zal ik dat omschrijven?” De man denkt zichtbaar na en ik wacht wat er komen gaat. Hij gaat verder: “Er wordt beweerd dat u naakt met een boxershort op uw hoofd door de gangen rende. Ik heb het zelf niet gezien - en meneer, geloof me, als ik u zeg dat ik dat graag zo wil houden - maar het schijnt dat u daarbij naar nogal typische Indiaan-geluiden maakte terwijl u ritmisch met uw handen op uw getuite lippen tikte. U zult begrijpen dat hotelgasten dat om half vijf ’s ochtends niet op prijs stellen. En daar bij …” Ik moet hardop lachen. Voor de man verder wil gaan met zijn preek, onderbreek hem. Ik moet hier weg. En snel. Voor het silhouet wakker wordt.
     “Ik weet genoeg. Bedankt.” Ik verlaat met het schaamrood op de kaken het hotel. Wat ben ik toch ook een debiel. Een boxershort op m’n hoofd. Hoe bedenk je het?

Het duurde even, maar m’n leven lijkt dan eindelijk te worden gered. Een zwarte, glimmende Mercedes rijdt voor en ik stap in.
     “Hé goeie middag!” De taxichauffeur - een soort Gaston maar dan zonder bril - kijkt me aan en steekt z’n hand op. Heb ik weer. Een taxichauffeur die wil praten. Ik heb hier zo geen zin in. “En waar gaat de reis naartoe?” vraagt hij. Ik geef hem m’n adres en hij begint te rijden. Aan de omgeving zie ik nog niks bekends, dus ik weet niet in welk deel van Groningen ik ben.
     “Hoe lang is het rijden?” vraag ik de chauffeur.
     “Ah joh, klein halfuurtje.” Prima … dat kost me dus een godsvermogen.

De man heeft drie kinderen, is een keer gescheiden en opnieuw getrouwd, rijdt dertig uur per week op de taxi met uitloop naar veertig uur, speelt graag een potje pool, houdt van bier en whisky en heeft vandaag dagdienst. Dit is een korte samenvatting van het leven van de man die mijn leven aan het redden is. Ik vertel hem maar niet over mijn avontuur. M’n telefoon trilt. Een app’je en een video van een onbekend nummer. Ik luister niet meer naar de taxichauffeur en tuur naar m’n iPhonescherm. Oh fuck. Het app’je komt van m’n date van vannacht.

Onbekend - 08:21 uur
“Je bent wat vergeten ;)”

Ik doe m’n geluid uit, ga wat meer richting de autodeur zitten om te voorkomen dat de chauffeur het ziet en ik speel de video af. 
     “Kijk, dat is dus het hele probleem, weet je. Die telefoons. Iedereen, altijd en overal. Altijd maar turen naar dat scherm …” 
     “Hmm hmm.” Meer zeg ik niet. Ik kijk naar mezelf. Naar hoe onnozel ik vannacht gedaan heb en ik geneer me enorm. Ik zie mezelf als een indiaan met een boxershort (blauw-wit, met streepjes …) op z’n hoofd door de gang huppelen. Oh man. Waarom! Wáárom! Ik beantwoord het app'je niet. Ik wil naar huis. Naar bed. Over een halfjaar pas wakker worden of zo. En ik ga echt nooit meer drinken! Wat is er in godsnaam allemaal gebeurd? Waar zijn Dave, Annemieke en Roderick gebleven toen ik met die vent meeging? Zal het aan die coke hebben gelegen?

Thuiskomst
De man zet de Mercedes voor m’n huis. Eindelijk. Ein-de-lijk!
     “Nou jongen, eens even kijken.” De man kijkt op de teller. Ik heb die teller de hele rit angstvallig in de gaten gehouden en zag het bedrag maar oplopen en oplopen. “Dat wordt dan eenenzeventigachtendertig, maar zeventig is goed joh.” Wat ik zei: een godsvermogen. Goed. Betalen en niet er meer aan denken. 
     “Zo. Waar heb jíj gezeten? Je ziet er verrot uit!” Annemieke lacht. Zelf ziet ze er trouwens ook niet bepaald florissant uit.
     “Ik heb werkelijk geen idee.” Ik ga op de trap zitten en kijk haar lamgeslagen aan. “Ik ben kapot!” 
     “Je was zo ineens weg. Wie was die vent?”
     “Wat ik zeg: ik heb werkelijk geen idee.”
     “Oh Arthur. Jij altijd met die maffe dingen. Haha!”

Boven tref ik Dave aan. Zwaar comateus. In mijn bed. Tja, dat zou ik ook gedaan hebben. Ik heb honger als een paard en ga voor m’n standaard ritueel: paracetamol, vitaminepillen, ritalin, koffie, water en een banaan, en ik voel me langzaam iets meer helder worden.
     “Jo.” Dave rekt zich uit. Z’n stem kraakt en hij is duidelijk brak. “Waar zat jij vannacht?”
     “Ik heb geen idee”, zeg ik. Dave lacht. 
     “Je was met die vent mee, hè? Wat een mafkees was dat. Hij zat de hele avond bij ons.”
     “Weet ik niet meer.”
     “Je hebt toch niet met hem …” Dave kijkt me zorgelijk aan. 
     “Geneukt?” Dave slikt hoorbaar en wacht angstig op m’n antwoord. “Eh, daar kan ik geen uitspraak over doen.”
     “Ah man, gadverdámme!”
     “Ook?” vraag ik, terwijl ik met m’n schoolpasje een lijntje maak.
     “Lekker.”

Vervolg: Column 31 - Dag lieve oma

Woensdag 17 mei 2017

Ik kwam aan in het ziekenhuis, m’n oma liet me met een blik weten dat het goed is zo, en ze ging.

  Like en blijf op de hoogte!