Je bent hier: Home > Columns > Column 105 - Bij m'n ouders

Column 105 - Bij m'n ouders

“Samenwonen?! Met wie!” M’n moeder is enorm verbaasd. M’n vader denkt het zijne ervan.

Datum: 3 maart 2018

Leestijd: +/- 7 minuten

Daten | Homodating | Date | Grindr | Seksdate | Ontbijten doen we thuis | Arthur van Moerwijk

Aan het begin van deze week werd ik ’s ochtends wakker van verschrikkelijke jeuk aan kleine Arthur. Ik besef dat dit een lekkere binnenkomer is, zo aan het begin van dit stuk, maar het is niet anders. Ik keek en schrok me kapot. Volgens mij is het een soort schimmelinfectie en hoe goed ik hem ook was, het komt steeds terug. Ik zal verdere onsmakelijke details achterwege laten. Zoals je begrijpt: ik maak me wat ongerust. Heb ik een soa? Ik heb natuurlijk heel internet al afgestruind maar kan niks duidelijks vinden. Dus ik ga toch maar even de huisarts bellen. Ik ga naar een slaapkamer en luister of Robert niet toevallig naar boven komt. Het blijft stil. Terwijl ik al bezig ben met of ik begraven of gecremeerd wil worden, hang ik aan de lijn met de assistente van m’n huisarts.
     “Goedemiddag, wat kan ik voor u doen?”
     “Ik zou graag een afspraak maken.”
     “Wat zijn de klachten als ik vragen mag?” vraagt ze. Nee, dat mag je niet vragen koe.
     “Ik heb last van jeuk”, stamel ik.
     “En waar zit de jeuk meneer?” Het vrouwtje klinkt me te vriendelijk. Ik stel me een dertigjarige vrouw voor die in de theepauze eens lekker met haar collega’s gaat zitten roddelen. Het klinkt vast zo: ‘Nou Annie, wat ik nú toch voor telefoontje kreeg! Een jongen met jeuk aan z’n piemel! Dit is toch niet te geloven?’ Maar misschien overdrijf ik wat. Ze maakt vast gekkere dingen mee.
     “Aan mijn penis”, zeg ik en ik moet bijna kotsen om dat woord. Penis, wie heeft dat woord bedacht? Er zijn zoveel woorden voor te gebruiken, van zwans tot knots, van Jan Peter Balkenende tot Prins Albert. Oh nee, die laatste is wat anders.

Wat moet ik tegen Robert zeggen? Oh god, ik hoorde wat. Silvia komt de slaapkamer binnen. 
     “Hoi!” zegt ze. Ze slaat gelijk een hand voor haar mond als ze ziet dat ik aan het bellen ben, gevolgd door een zachte “sorry”.
     “Vanmiddag heb ik nog een gaatje meneer”, zegt ze. Een tamelijk verkeerde woordkeuze, mevrouw.
     “Zou ik niet doen mevrouw!” roep ik lachend terwijl ik kijk naar hoe Silvia het bed opmaakt.
     “Wat bedoelt u?” vraagt de assistente. Ze snapt m’n grap niet. Ik wil vertellen over besmettelijkheid wat resulteert in schurftkutten, maar ik houd me in, zo met Silvia op de achtergrond.
     “Straks om tien over vier is goed. Bedankt.”

Wat gênant. Moet ik naar de huisarts vanwege m’n lul. Straks wil hij er aan voelen en hem zien. Wat nou als ik daar met zo’n verschrompeld pikkie lig? Of wat nou als ik een stijve krijg door dat gefriemel? Zal je net weer zien. Krijg ik erna m’n broek niet aan doordat kleine Arthur opeens niet zo klein meer blijkt te zijn. Ik voel zenuwen in m’n buik. M’n gedachten worden door Sylvia onderbroken.
     “Ben je weer helemaal fit?” vraagt ze. “Ik heb je kleren maar even in de wasmachine gegooid. Dat shirt met die scheur kan ik weggooien?”
     “Ja hoor, prima.” Ik pak m’n tas en gooi er wat kleren in.
     “Moet je weg?”
     “Ja ik ga dit weekend naar mijn ouders.”
     “Veel plezier!”
     “Dag feestbeestje van me!” roep ik vanaf de overloop. Ik hoor Silvia lachen.
     “Robert?” Roep ik. Ik zie of hoor hem niet. “Robert!”
     “Ja?” Hij komt uit de keuken met twee bakken koffie.
     “Ik moet er vandoor”, zeg ik. 
     “Oh, waarheen?”
     “Ik ben dit weekend bij m’n ouders.”
     “Huh? Waarom had je dat niet verteld?” Hij zet de kopjes koffie op tafel en gaat zitten. 
     “Vergeten”, zeg ik lachend en ik neem een slok. Ik brand m’n bek aan de koffie maar laat het Robert niet merken.
     “Wanneer zie ik je weer?” vraagt hij.
     “Ik ben zondag denk ik weer terug.”

Ik moet nu in een rap tempo naar Dwingeloo. Daar zit mijn huisarts namelijk. Als ik zo de trein neem dan ben ik net op tijd. Robert brengt me naar het station.
     “Dankjewel. Tot zondag!”
     “Tot zondag lieverd.”

Het is inmiddels kwart over vier en ik zit nog in de wachtkamer. Waarom loopt het altijd uit bij huisartsen? Het is druk en ik erger me aan het wachtkamergelul. De een kucht nog harder dan de ander. Mensen maken ook opeens grappen in de wachtkamer. Hier in Dwingeloo is het echt ons kent ons, dus ja, het risico dat je een bekende tegenkomt is dan groot. Een conversatie die ik vandaag al drie keer hoorde:
     “Hé, jij hier?”, zegt patiënt 1.
     “Ja, jij ook zie ik”, zegt patiënt 2.
     “Ja ja ja”, zegt patiënt 1 en hij zucht.
     “Alles goed?” vraagt patiënt 2. Ik vind dit nogal een aparte vraag, in de wachtkamer van een huisarts.
     “Mwaah, kan beter”, antwoordt patiënt 1. 
     “Ja, anders zit je natuurlijk niet hier”, lacht patiënt 2. 

Zucht.

Er gaat een deur open en er verschijnt een vrouwelijke arts. 
     “Meneer van Vliet”, zegt ze. Een oude man staat kreunend en puffend op en sloft naar haar toe. Ze is niet mijn huisarts. Ik heb een andere. Kort daarop komt er een andere huisarts de wachtkamer binnen. Het is een bloedmooie gast van in de twintig. Oh my god, nee toch? 

Ik wacht en ik wacht. En drie kwartier later zit ik er nog. Ze gaan zo toch niet sluiten? Dan kan ik vast pas volgende week terecht. Ik heb mijn huisarts nog steeds niet gezien. Is er een vervanger voor hem? Misschien heb ik die vrouwelijke dokter wel. Nog ongemakkelijker.

Ik kijk om me heen. Waren deze mensen er al toen ik binnenkwam of zijn dit allemaal nieuwe mensen? Volgens mij zijn het nieuwe mensen. Dus dat betekent dat ik als allerlaatste ben of dat ik vergeten word. Met dat ik wegzak in een depressieve bui en begin te balen, zwaait de deur open. De bloedmooie dokter kijkt de wachtkamer rond.
     “Meneer van Moerwijk?” zegt hij. Z’n lichtblauwe ogen kijken diverse mensen aan. Zijn zongebruinde huid lijkt bruiner bij de witte muren, deuren en plafonds. 
     “Ja!” zeg ik, alsof ik een volle kaart heb. Subtiel Arthur, hou je in. Ik sta op, de stoel schuift naar achteren en blijft zoekend naar evenwicht gelukkig staan. Ik loop snel naar de huisarts om hem een hand te geven, maar dan blijf ik met m’n jas aan een lege stoel hangen. Diep gekerm hoor ik door de stillige wachtkamer. Gênant. M’n jas zit klem tussen de rugleuning en de armleuning. Hoe krijg ik dat nou weer voor elkaar? Ik voel hoe de huisarts naar me kijkt.
     “Ehm … moment”, zeg ik. De mensen in de wachtkamer kijken ook naar me en ik voel m’n kop roder worden. 
     “Heb je hulp nodig?” vraagt de schone. Ik trek hard aan m’n jas en hij schiet goddank los. 
     “Gelukt!” zeg ik trots. De jongen steekt z’n hand uit. 
     “Arthur”, zeg ik.
     “Dokter Bernard”, antwoordt de jongen. Nee dat zei hij niet. Nu slaat m’n fantasie op hol. “Dokter de Lange.” Ik hou lang z’n hand vast tot ik merk dat de jongen graag z’n hand terug wil. “Loop maar met mij mee”, zegt hij. Nou, graag! Heet hij nou De Lange? Hij loopt voor me. Een huisarts in een skinny-jeans heb ik werkelijk nog nooit gezien. Hij ziet er best gespierd uit maar door z’n grote wollen vest kan ik dat niet goed zien. Verliefd op de dokter, wat cliché.
     “Zo …” zeg ik en ik doe onzeker m’n jas uit. Ik hang hem voorzichtig over m’n stoel - ter voorkoming van nog zo’n gênante situatie én ik heb nou eenmaal een hekel aan kapstokken. Een beetje je jas ophangen tussen bacteriën, parasieten, vlooien, slakken, struisvogels en allerlei andere beestjes die van lichamen van andere mensen komen. Nee, als je jeuk wilt …
     “Wat kan ik voor je doen?” vraagt de jonge god. 
     “Ik heb last van jeuk.”
     “En waar bevindt de jeuk zich?” Ik glimlach onzeker en kijk naar beneden. Ik wijs langzaam richting kleine Arthur en kijk vol schaamte naar de huisarts.
     “Ah”, zegt hij. Moet hij om me lachen? “Is dat al lang zo?” vraagt hij dan.
     “Sinds het begin van deze week.”
     “Zit er uitslag, of is het rood?”
     “Rood. En uitslag. Beide eigenlijk. Wat kan dat zijn?” vraag ik.
     “Dat weet ik niet. Ik zal het even moeten zien.” Oh god daar was ik al bang voor. Heb ik ‘m eigenlijk wel geschoren? We lopen naar de behandelruimte naast zijn spreekkamer. “Ga maar even liggen en doe je broek en onderbroek maar naar beneden”, zegt hij. Ik hou m’n buik in, maak m’n riem los en krijg amper lucht omdat ik m’n buikspieren zo hard aan span. Dan lijkt het tenminste nog wat …
     “Ja hij is een beetje verlegen hoor”, zeg ik. De dokter kijkt me aan en snapt m’n gevoel voor humor duidelijk niet. Ik bedenk hoe ik het zou moeten zeggen. Als hij mijn piemeltje mag zien, dan mag ik toch vast het zijne ook zien? Doe normaal Arthur! Je bent geen kind meer.
     “Oh echt?” vraagt hij. 
     “Maar hij is snel op z’n gemak hoor bij zo’n knappe …” Nee Arthur. Hou nou gewoon je kop!
     “Ik zie het al. Het is geïrriteerd en het lijkt wat op een schimmelinfectie.”
     “Geen soa?” vraag ik.
     “Lijkt me niet.” 

Opgelucht sta ik buiten met een recept voor een zalfje. Dat haal ik gelijk op en ga door naar m’n ouders.
     “Arthur! Wat is dat lang geleden!” roept m’n moeder. Oh jezus, straks gaat ze nog zeggen dat ik heel groot geworden ben. Weg hier. 
     “Ik zet even m’n tas boven.”
     “Dan thee drinken? Papa komt ook zo thuis.”
     “Is goed mam.”

Die avond
     “Nou vertel eens jongen, wat doe je nu? Hoe bevalt je werk?”
     “Goed pap.” 
     “En verder? Hoe is je huis? Heb je al verkering?” Ik probeer te rekenen hoe lang ik niet bij m’n ouders ben geweest. Dat is erg lang geleden en ik weet het niet eens meer precies. Schaamteloos.
     “Ik heb iemand ontmoet”, flap ik er uit.
     “Oh echt?” vraagt m’n vader enthousiast. M’n moeder kijkt stil toe.
     “Ja echt”, zeg ik.
     “Vertel!” roept m’n vader. Zo enthousiast als dit ken ik hem helemaal niet.

Ik vertel over Robert. Dat hij een leuke vent is en dat hij een eigen bedrijf heeft. Dat hij wat ouder is dan ik vertel ik nog maar niet. M’n ouders zijn best enthousiast. Mijn vader althans.
     “En ik ga samenwonen!” roep ik na m’n vierde biertje. Oh jezus, waarom zeg ik dit.
     “Wat?! Met wie!” roept m’n moeder. 
     “Dat vertelt hij toch net? Met Robert!” zegt m’n vader. M’n hart slaat over en ik neem nog een slok van m’n bier.
     “Is dat niet te snel jongen?” vraagt m’n vader.
     “Ik heb er goed over nagedacht en ken Robert al heel lang”, lieg ik. M’n moeder staart voor zich uit. 
     “Zolang je maar gelukkig bent …” prevelt ze.


Vervolg: Column 106 - Robert voorstellen

Online: 7 maart 2018

“Zal ik anders langskomen?” vraagt Robert. “Ehm … ja is goed?” Die dikke Mercedes scoorde punten bij m’n vader.

  Like en blijf op de hoogte!