Je bent hier: Home > Columns > Column 101 - Ik voel vlinders!

Column 101 - Ik voel vlinders!

Ik voel me niet op m’n gemak tussen alle zakenlui, maar wat is die Robert leuk!!

Datum: 17 februari 2018

Leestijd: +/- 7 minuten

Daten | Homodating | Date | Grindr | Seksdate | Ontbijten doen we thuis | Arthur van Moerwijk

We komen aan op het vliegveld. De turbulentie viel goddank mee en ik ben erg fit. Op zo’n flatbed kun je makkelijk slapen. Opoe Arthur zat met een dekentje over zich heen champies te drinken. Hoe goed wil je het hebben?
     “Laten we ergens een hapje gaan eten en wat drinken.” (Als muziek in m’n oren.) “Dan zien we wel wat we vanavond verder doen”, zegt Robert.
     “Dat is goed.” 

Er staat een chauffeur klaar met Roberts naam op een bordje. Het is een oudere Duitse man die ons vriendelijk te woord staat en zelfs Roberts tassen wil dragen. 
     “Graag”, zegt Robert en hij overhandigt de oude man de zware tas.
     “Nee echt niet. Hier die tas!” zeg ik met een boze blik op Robert. “Dat doe je die ouwe toch niet aan?” Robert verontschuldigt zich terwijl we de man volgen. We komen aan bij een ge-wel-dig hotel. Grote kamers, een enorme badkamer en zicht op het centrum van Berlijn.
     “Waar heb je zin in?” vraagt Robert, zoekend op z’n telefoon naar restaurants. Het leven van een businessclass-hero gaat blijkbaar voornamelijk over eten. Ik lig op bed en kijk naar het hunebed dat m’n buik heet. Geen pizza vanavond.
     “Laten we voor gezond gaan.” 
     “Pizza?” vraagt Robert.
     “Typisch Duits …” zeg ik sarcastisch. “Lekker!” Sukkel.

Ik moet echt roken. Misschien moet ik het Robert maar gewoon vertellen. Dan hoef ik niet meer stiekem op wc’s te roken en me dood te eten in kauwgom. 
     “Vind je het erg als ik …” begin ik, maar ik word ruw onderbroken.
     “Goedenavond, wat kan ik voor u inschenken?” vraagt een gladde ober in zwart pak met zwart-witte schoenen.
     “Bier”, zeg ik.
     “Welke wijn heeft u?” vraagt Robert en hij kijkt naar mij. Oh ja, we zijn op chic. De man komt even later terug met twee wijnen en laat ons proeven. Hij schenkt een klein laagje in de grote glazen. Ik ad het alsof het een tequilla is en slik het gelijk door. Robert neemt er de tijd voor, laat de wijn over z’n tong rollen en slikt het met een blik in de lucht door terwijl de man de wijn uitlegt alsof we een Rolls-Royce kopen.
     “Doet u deze maar”, zeg ik. Ik wil ook wat zeggen.
     “Voor mij die andere graag.” Er valt een stilte. Passen wij wel bij elkaar? Ik, de boeren dorpeling uit Dwingeloo, en Robert, de succesvolle ondernemer met maar liefst zés webwinkels.
     “Ik vind het leuk dat je zo jezelf bent, Arthur.” Mezelf? Als ik echt mezelf was geweest dan was ik nu al half dronken geweest en zat ik aan m’n vierde ritalin, uitkijkend op de asbak die ik gisteren eigenlijk al had moeten legen. 
     “Dank je. Ik vind jou ook leuk.” Robert lacht. Ongemakkelijk.

We krijgen porties eten die zo klein zijn waardoor ik me schuldig voel tegenover de afwashulp en ik ben bang dat ik straks nog zin heb in een Big Mac. Toch valt het mee. Alle kleine porties bij elkaar zorgen ervoor dat ik net genoeg heb om me niet een hyperventilerende, opgeblazen zeehond te voelen. We vertrekken en lopen door de stad. Ik vind Berlijn echt leuk. Het is er gezellig en het lijken me vriendelijke mensen. 
     “Morgenochtend moet ik naar die afspraak. Je gaat mee toch?” vraagt Robert terwijl hij m’n arm vasthoudt. Ik voel een zenuwgolf door m’n maagstreek gieren. Wat moet ik daar?
     “Wat verwacht je van mij morgen?” vraag ik voorzichtig.
     “Niks, dat je gewoon mee bent. Dat is toch leuk? Ik heb jou aan het werk gezien en nu kun je ook eens zien wat ik doe.” Robert is enthousiast. Ik allerminst. Ik zie een erg ongemakkelijke conversatie aankomen met mensen waarmee ik niet op één lijn zit. Of zij niet met mij.
     “Is goed.”

We komen terug in de hotelkamer. Robert doet z’n vest uit en stelt voor om in bad te gaan. In bad? Oh god, dan moet ik in m’n blote reet. Hij wacht m’n antwoord niet af en laat het bad vollopen. 
     “Kom je?” vraagt hij vanuit de badkuip. Ik zat net in een dagdroom dat ik omringt was door asbakken en zo ongelooflijk veel rook dat ik genoeg had voor de komende drie weken. Ik kleed me uit en doe een van de lampjes uit in de badkamer. 
     “Je bent romantisch”, zegt Robert blij verrast. Nou geloof me, het was niet vanuit romantiek oogpunt, het was om m’n zwembandjes wat minder op te laten vallen.

We zitten een uur in bad. Diep onder het schuim, van onze lichamen niets te zien. Een dik zes uur later - zo lang voelde het - wil Robert er uit. 
     “Ga maar alvast”, zeg ik. “Ik laat het bad wel leeglopen.” Robert verlaat de badkamer en ik heb nu de kans om me onopvallend in een handdoek te wikkelen, waardoor Robert m’n lichaam niet ziet. Afgedroogd en wel kom ik bij Robert. Nu moet ik echt roken. Bij de gedachte aan een sigaret gieren de vlinders door m’n buik en beginnen m’n handen te beven. Robert zit achter z’n laptop om te checken hoe laat de afspraak morgen precies is.
     “Even naar de wc”, zeg ik. Ik gris gauw m’n pakje sigaretten uit m’n broek en ga naar de wc. Het is zo’n luxe hotelkamer dat er een aparte wc is. Ik ga op de wc zitten en steek er gauw een op. Het eerste hijsje, ik voel me direct licht in m’n hoofd, het tweede hijsje vind ik nog steeds heerlijk. Verlangens worden verwezenlijkt. Bij het derde trekje neem ik me voor om er nog een te nemen en hem dan door te spoelen, want anders ruikt Robert het misschien. Ik doe de sigaret naar m’n mond en wil weer een hijs nemen, en dan hoor ik keihard gejoel. Oh my fucking god. Het brandalarm. 
     “Arthur! We moeten eruit!” roept Robert naar de wc. “Schiet op!” Ik gooi de sigaret in de wc en dump er een lading wc-papier overheen waarna ik doorspoel. “Arthur!” roept Robert. “Het hotel staat misschien wel in de fik!” Hij trekt de wc-deur open - ik had hem blijkbaar niet op slot gedaan - en sta nu oog in oog met Robert. Nu besef ik pas goed wat men bedoelt met het 'konijntje-koplamp effect'. Alsof er een grote Amerikaanse truck op me afrijdt sta ik verlamd naar Robert te kijken.
     “Oh. Ik zie het al”, zegt Robert stug. Dit had ik al verwacht: hij houdt niet van rokers.
     “Sorry”, zeg ik half lachend en onzeker. Robert belandt in een enorme lachbui. Hij brult, schreeuwt en houdt zich vast aan de wc-deur.
     “Wát ben je ook een type. Had dit gewoon verteld! Ik heb zelf jarenlang gerookt en snap precies hoe het is als je niet kunt roken.” We komen inmiddels beiden niet meer bij. Ik weet niet of ik lach of huil, maar de tranen rollen over m’n wangen en ik maak geluiden die ik van mezelf nooit eerder heb gehoord. Ik hoor mensen op de gang. Het brandalarm gaat nog steeds door. 
     “Nou mij niet gezien dat ik helemaal naar beneden ga”, zeg ik.
     “Nee waarom zou je? Je hebt nu toch al gerookt. Haha!”

Nog na-lachend liggen we op bed en vallen tegen elkaar aan in slaap. We hebben niet eens seks. En ik heb die behoefte ook niet zo extreem als met andere jongens. Misschien moet het zo zijn? Misschien is dit dan echt een relatie? Ik heb wel eens gelezen dat stellen gemiddeld drie keer per maand neuken. Nou, make my day. 

De volgende ochtend ben ik eerder wakker dan Robert. Ik ga snel naar de badkamer en gooi een plens koud water in m’n gezicht, doe m’n haar en spuit veel parfum op. Dan ga ik zo voorzichtig mogelijk naast hem liggen. Hij slaapt diep en rustig. Hij snurkt niet eens. Waarom hebben sommige mannen alles mee? Ik ga voorzichtig op het kussen liggen om m’n haar niet in de war te maken. Ik schraap m’n keel een keer. Robert slaapt gewoon door. Dan hoest ik een keer. Geen reactie. Ik schraap m’n keel hard en hoest en hoest. Dan beweegt Robert. Hij begint te lachen.
     “Ik was allang wakker joh. Wat zit je haar leuk!” Kut.

Robert doucht en kleedt zich aan. Hij geeft me wat van zijn kleren en ik moet er erg aan wennen. 1. Omdat dit kleren van iemand anders zijn en 2. omdat het niet mijn stijl is. Ik draag een colbertje met een blouse en daaronder m’n eigen zwarte broek. Ik ga naar beneden om te roken. 

Tijdens het ontbijt horen we mensen praten over het brandalarm van gisteren. Ik doe net of ik net zo verbaasd ben als hen en vraag Robert of hij misschien weet waardoor het brandalarm kwam terwijl ik me over de schaal croissants verm. Hij lacht hard. Ik kom bij ons tafeltje met een bord vol croissants, muffins en flinke stukken kaas. Ik laat het me goed smaken en ga me niet inhouden.
     “Ze hebben ook champagne bij het ontbijt, zag je dat?”, zeg ik al smakkend. (Dit is meer een hint dan vraag.)
     “Nou voor mij nog geen champagne hoor. Ik moet nog aan het werk.” Oh ja. Het ontbijt is goddelijk. We worden drie kwartier later opgehaald door een taxi. We komen aan in een immens gebouw. Alles lijkt van marmer en de liften zijn zo schoon, alsof ze nog nieuw zijn.
     “Good morning”, zegt een man van middelbare leeftijd in een streepjespak. Hij geeft ons een hand.
     “Mogguh”, zeg ik. Robert stoot me aan. Ik kan er niks aan doen, ik word altijd rebels in zo’n kouwe kak-omgeving. De man praat en praat. Alles in het Engels met Duits accent. Ik versta er geen zak van - m’n Engels is niet meer wat het geweest is - en ik knik maar een beetje, hopend dat dit gedoe niet al te lang duurt. Dan wendt de man zich tot mij en hij zegt wat. Zenuwen gieren door m’n lijf. Moet ik nu Engels praten? Ik ben zo druk met m’n eigen onzekerheid en gedachtes dat ik de man niet eens begrijp.
     “Yes”, zeg ik, gevolgd door een lach. Hij vraagt hetzelfde nog een keer.
     “Yes haha!” zeg ik, nog harder lachend.
     “Hij vraagt wat voor werk je doet”, vertaalt Robert.
     “Zeg maar dat ik eigenaar ben van een café”, zeg ik. Robert lacht en doet wat ik vraag. Wat een drama.


Vervolg: Column 102 - Zie ik je weer?

Online: 21 februari 2018

“Wanneer zie ik je weer?” vroeg Robert. “Mag ik niet blijven?” vroeg ik. “Uhm, ja hoor.”

  Like en blijf op de hoogte!